10 praktische tips voor meer biodiversiteit op jouw bedrijfsterrein

7 juni 2021
by Sylvie Baert

Op 1 juni vond onze praktijkopleiding plaats over biodivers groenbeleid. Plaats van terreinbezoek is Vito in Mol. Bij Vito, maar ook bij de aanpalende bedrijven zoals CSK-CEN streeft men naar natuurgebiedwaardige natuur met daartussen de bedrijfsgebouwen. Het is een groot terrein met heel diverse uitzichten: heide, bos, ruderaal grasland met pionierssoorten die groeien op verstoorde grond, ruigtegrasland, struisgrasland, … Leon en Frederik van Biotoop gaven ons tijdens een rondleiding meer uitleg over de hoe en waarom in dit biodivers beheer.

Knelpunten die deelnemers aangaven om te starten of door te zetten met dergelijk verhaal in de bedrijven waar ze werkzaam zijn, zijn:

  • De bedrijfsleiding en stakeholders zien graag een proper en mooi gemillimeterd grasplein.
  • De klassieke groenaannemers waarmee men gewoon is samen te werken maaien en spuiten met pesticiden.
  • De tijd en middelen zijn beperkt.
  • Aanwezigheid van exoten zoals de Vlinderstruik, Bezemkruiskruid, Karmozijnbes, Valse acacia, Amerikaanse eik, Amerikaanse vogelkers, Japanse duizendknoop, …

10 tips voor meer biodiversiteit:

  1. Ga na hoe het bedrijventerrein gelegen is tegenover natuur(gebieden) in de buurt. Heel vaak ben je niet ver hiervan gelegen en kan jouw biodiverse bedrijfstuin dienen als stapsteen. Een stapsteen is een (kleine) oppervlakte met een geschikte habitat voor een bepaalde soort die het toelaat om zich doorheen het landschap van het ene natuurgebied naar het andere te verplaatsen. Door toenemende versnippering door verstedelijking en intensivering van de landbouw vormen natuurgebieden eilanden in het landschap. Om soorten in stand te houden, is het essentieel dat populaties die zich in de verschillende natuurgebieden ophouden met elkaar in contact komen. Die rol kan jouw bedrijfsterrein innemen.
  2. Er bestaat zoiets als een vergunning tijdelijke natuur. Deze vergunning maakt het mogelijk om natuur te creëren en die ook weer weg te halen op plaatsen waar je later graag nog wil uitbreiden met je bedrijf. Tijdelijke natuur helpt, maar permanente natuur is natuurlijk nog beter!
  3. Belangrijk hierbij te vermelden is dat een ecologisch (extensief) beheer eigenlijk minder werk vraagt in vergelijking met een klassiek beheer, maar wel meer communicatie. Je moet stakeholders inlichten waarom iets gebeurt zoals het gebeurt. Waarom worden bomen gekapt? Waarom laat men dode bomen soms staan? Waarom ziet het er nu uit zoals het eruit ziet en hoe zal het er binnen enkele jaren uitzien? …
  4. Je moet je er altijd bewust van zijn dat je in een bedrijfscontext zit, het biodiversiteitsverhaal moet hier in passen. De context bepaalt alles. Sommige bedrijven vinden een ‘nette’ inkom belangrijk voor het ontvangen van klanten en bezoekers. Je kan hierbij kiezen voor een iets meer gestileerd beheer rond de gebouwen en dan meer natuurlijk iets verder van het gebouw. Bijvoorbeeld. Bij Vito is 2% van het beheer gestileerd en iets intensiever en 98% extensief en natuurlijk. Als dit compromis nodig is om de stap te zetten naar een biodivers beheer: doen! Later kan dan nog altijd gekozen worden om ook die laatste 2% natuurlijker te beheren. Uiteraard geldt wel voor de 100% van het terrein: geen gebruik van pesticides, geen gebruik van meststoffen en inheemse wilde planten wanneer er nieuwe planten/bomen/… worden aangeplant.
  5. Als je iets doet, denk op voorhand na over mogelijke gevolgen.
    1. Als je een bos wil kappen, om er iets anders mee te doen, vb. heide creëren of een grasland, kijk dan of het mogelijk is om enkele bomen te behouden. Durf bomen behouden. Dit kan je doen omdat een bepaalde boom heel mooi of waardevol is, schaduw biedt, nestgelegenheid of een voedselbron is, … 
    2. Bomen die in een bosverband staan zijn het niet gewoon om alleen te staan. Ze stonden altijd beschut voor de wind, … Als je dus kiest om bomen te behouden, denk dan goed na over welke boom. De kans bestaat immers dat de boom zal omvallen, de kruin zal splitsen, …
  6. Wat je doet, welke maatregelen je al dan niet neemt is plaats- en tijdsafhankelijk: soms is het beter om de natuur spontaan te laten ontwikkelen, op andere plaatsen is het goed om in te zaaien of aan te planten. Op sommige plaatsen is maaien de beste beheersvorm (gebruik nooit een klepelmaaier), op andere is (stoot)begrazing dan weer een betere beheerstechniek. Begrazing is wel aanzienlijk goedkoper dan maaien.
    1. Je kiest bijvoorbeeld voor begrazing als het terrein het niet toelaat om te maaien (vb. heel oneffen) of als het een grasland betreft met weinig waardevolle soorten. Wanneer je in je grasland orchideeën ziet, of Kleine klaver en Wasplaten (de aanloop naar orchideeën) dan kies je bijvoorbeeld beter niet voor begrazing.
    2. Als je beslist om in te zaaien of te planten, kies dan altijd voor inheemse wilde soorten, streekeigen plantgemeenschappen. Zaai enkel in als het moet, en alleen in het najaar!
  7. Ga op het terrein, doe terreinbezoeken om je beheer op te volgen!
  8. Betrek je stakeholders bij het ontwerp of zorg dat ze na realisatie ermee van kunnen genieten. In de bedrijfstuin van Vito zijn er verschillende wandelingen uitgestippeld van verschillende afstanden, die kunnen de werknemers doen om te vergaderen of in hun pauze. Ook zijn er leuke terrassen aangelegd waar de werknemers buiten kunnen werken. 
  9. Let op voor ecologische vallen! Men spreekt van een “ecologische val” wanneer een diersoort een leefgebied verkiest dat helaas ten onrechte aantrekkelijk lijkt voor deze soort. Bijvoorbeeld bij Vito werd – door het personeel – gekozen voor een kleurrijke bloemenweide. Er werd hiervoor een mengsel ingezaaid bestaande uit eenjarigen. Deze bloemen bloeien heel weelderig en zijn mooi maar deze bloeien maar één jaar en bestaan uit een beperkt aantal families. Het is mogelijk dat je hiermee bepaalde insecten aantrekt, maar omdat ze het jaar nadien er niet meer zullen zijn is het mogelijk dat deze insecten (of de nakomelingen ervan) hun levenscyclus hier niet volledig kunnen voltooien en dus sterven. Pas ook op met ‘carnaval’mengsels uit winkelketens: deze bevatten meestal uitheemse soorten en deze soorten zijn vaak steriel. Bovendien kunnen deze soorten in sommige gevallen kruisen met onze soorten en dat willen we trachten te vermijden. Deze soorten zijn goed voor de algemene soorten maar niet voor de fijnproevers.
  10. Werk met indicatorsoorten. Een indicatorsoort of bio-indicator is een soort die ons informatie geeft over een bepaalde eigenschap van een gebied omdat het karakteristiek is voor specifieke milieuomstandigheden of specifieke natuurtypen. Daarom kunnen uit de aan- of afwezigheid van dergelijke soorten conclusies worden getrokken over de toestand van milieu en natuur. Bijvoorbeeld. Tormentil is een indicator voor heischraal grasland, Bosbies en Waternavel zijn indicatoren voor de aanwezigheid van kwelwater, Bezemkruiskruid geeft dan weer aan dat de bodem verstoord is, …

 

Wil jij werken aan biodiversiteit? Ga zeker aan de slag met bovenstaande tips. Zelf niet de tijd om dit te doen? Schakel deskundige externe hulp in. Biotoop is expert in ecologische inrichting.