Grotere verantwoordelijkheid exploitant door afschaffing erkenning
Naar aanleiding van de gewijzigde Europese Richtlijnen over industriële emissies en het storten van afvalstoffen, alsook de Europese Verordening over de rapportage van milieugegevens van industriële installaties, wijzigt de Vlaamse Regering op 1 oktober 2026 een aantal besluiten over milieubeleid.[1]
Eerder had de Vlaamse Regering met een decreet van 10 juli 2026[2] al wijzigingen doorgevoerd aan het DABM. Die wijzigingen treden uiterlijk 1 januari 2027 in werking en hebben gevolgen voor milieucoördinatoren. Zo wordt de erkenning afgeschaft. Daardoor wordt de milieucoördinator uit het VLAREL geschrapt en worden bepaalde voorwaarden vanuit het VLAREL in VLAREM II opgenomen.
Onder de huidige regeling heeft een interne milieucoördinator die meervoudig wordt aangesteld de instemming nodig van de overheid. Wie voor twee of meer inrichtingen wordt aangesteld, moet dan weer erkend zijn. In beide gevallen is er dus een voorafgaande bestuurshandeling nodig.
Wat de erkenning betreft, wordt die opgegeven. De voorwaarden om aangesteld of erkend te kunnen worden zouden grotendeels dezelfde zijn en een erkenning zou dus nauwelijks een meerwaarde hebben.[3] Toch zijn er een aantal juridische gevolgen voor de exploitant.
Ten eerste moet de exploitant voortaan zelf oordelen of zijn kandidaat aan de voorwaarden voldoet. Pas bij een latere controle wordt duidelijk of hij juist heeft geoordeeld. Een ‘vergissing’ betekent dat de aanstellingsplicht niet op een juiste manier is nageleefd. Bovendien kunnen vragen worden gesteld bij de waarde van documenten die door een niet-correct aangestelde milieucoördinator zijn opgemaakt.
Ten tweede betekent de wijziging niet ‘minder controle’, maar wel ‘controle op een ander moment’. Dit gebeurt bovendien met zwaardere middelen. Onder het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving kregen toezichthouders opsporingsbevoegdheid, mogen zij een verhoor afnemen en kunnen zij dwangsommen opleggen. Bovendien wordt bestuurlijke sanctionering na seponering de regel.
Daarnaast verdwijnt de instemming met meervoudige aanstellingen. Voortaan moet de exploitant zelf beoordelen of een dergelijke aanstelling geen afbreuk doet aan de kwalitatieve taakvervulling.
Het bovenstaande betekent dat de exploitant een grotere verantwoordelijkheid krijgt aangemeten. Ook zullen de exploitant en de milieucoördinator hun verhouding meer dan vroeger zelf moeten regelen.
Bron: Lander CASTEELS van LDR Advocaten
[1] Zie https://www.vlaanderen.be/vlaamse-regering/beslissingen-van-de-vlaamse-regering/omzetting-europese-richtlijn-industriele-emissies-rie-wijziging-diverse-milieubesluiten-1.
[2] Decreet van 10 juli 2026 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat betreft de omzetting van richtlijn (EU) 2024/1785 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 tot wijziging van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) en Richtlijn 1999/31/EG van de Raad betreffende het storten van afvalstoffen en andere diverse wijzigingen ter optimalisatie.
[3] Ontwerp van decreet van 10 juli 2026, VL. PARL., 2025-2026, 876 (nr. 1), p. 16.