Passende beoordeling bij meldingsplichtige activiteiten?

5 januari 2026
by LDR Advocaten

In een arrest van 31 juli 2025 stelde de Raad voor Vergunningsbetwistingen een prejudiciële vraag (nl. een vraag m.b.t. de interpretatie van regelgeving) aan het Hof van Justitie.[1] Volgens artikel 36ter, §3 van het Natuurdecreet kunnen alleen “vergunningsplichtige activiteiten” worden onderworpen aan een passende beoordeling met betrekking tot hun betekenisvolle effecten voor Europees beschermde natuur (“Natura 2000-gebieden”). Het gaat om activiteiten waarvoor op grond van een wet, decreet of besluit, een vergunning, toestemming of machtiging nodig is.[2] Artikel 6, derde lid van de Habitatrichtlijn werd door artikel 36ter, §3 van het Natuurdecreet omgezet in de Vlaamse rechtsorde. Toch is de bepaling uit de Habitatrichtlijn, in tegenstelling tot haar Vlaamse tegenhanger, van toepassing op “projecten” in de brede zin. Bijgevolg wou de Raad vernemen of de Habitatrichtlijn zich verzet tegen de Vlaamse regeling, waarbij projecten die louter meldingsplichtig zijn “niet worden onderworpen aan een verplichting tot opmaak van een passende beoordeling, ook al kunnen deze projecten een significante impact hebben op de natuurlijke kenmerken van [Natura 2000-gebieden]”.[3]

 

De Nederlandstalige Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel (hierna: de “rechtbank”) wachtte deze prejudiciële vraag niet af, en oordeelde op 15 december 2025 dat de beperking tot “vergunningsplichtige activiteiten” niet richtlijnconform is.[4] De zaak betrof een aansprakelijkheidsvordering die door de eisende partijen (nl. natuurverenigingen) werd ingesteld tegen het Vlaamse Gewest, omdat het Vlaamse pesticidenbeleid geen correcte omzetting zou vormen van de Pesticidenrichtlijn[5] en/ of de Habitatrichtlijn, en dat om drie redenen.

 

Een van die redenen is dat er geen passende beoordeling moet plaatsvinden bij pesticidengebruik in of nabij Natura 2000-gebieden.[6] Concreet werd de Habitatrichtlijn volgens de eisende partijen niet juist omgezet omdat, overeenkomstig artikel 36ter, §3 van het Natuurdecreet, alleen “vergunningsplichtige activiteiten” worden onderworpen aan een passende beoordeling. Pesticidengebruik is echter geen vergunningsplichtige (en zelfs geen meldingsplichtige) activiteit.[7]

 

De rechtbank gaf de eisende partijen gelijk: artikel 36ter, §3 van het Natuurdecreet geeft geen juiste uitvoering aan artikel 6, derde lid van de Habitatrichtlijn. Dit betreft een fout in hoofde van het Vlaamse Gewest.

 

Het Vlaamse Gewest betoogde nog dat een lidstaat kan bepalen dat alleen “vergunningsplichtige” projecten aan een passende beoordeling moeten worden onderworpen, als de projecten die een betekenisvolle aantasting van Natura 2000-gebieden kunnen veroorzaken, via uitvoeringsbesluiten aan een “vergunningsplicht” worden onderworpen. De rechtbank verwierp deze redenering, mede omdat het Vlaamse Gewest niet kon aantonen dat alle projecten (waaronder pesticidengebruik) die een dergelijke aantasting kunnen teweegbrengen, ook daadwerkelijk onderworpen worden aan een “vergunningsplicht”.[8]

Om in overeenstemming te zijn met de Habitatrichtlijn, moeten volgens de rechtbank ook activiteiten, begrepen als “projecten” in de zin van artikel 6, lid 3 van de Habitatrichtlijn, waarvoor geen vergunning, toestemming of machtiging vereist is, worden onderworpen aan de verplichting tot passende beoordeling.[9] Een passende beoordeling moet uiteraard alleen worden opgemaakt wanneer een concreet project, afzonderlijk of in combinatie met andere projecten, significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden.

 

Het hierboven besproken arrest is van grote betekenis, en werpt een vooruitblik op hoe het Hof van Justitie kan omgaan met de prejudiciële vraag van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Mocht het Hof dezelfde visie hanteren, dan zou dit een belangrijke wijziging betekenen: voortaan zouden niet alleen vergunningsplichtige activiteiten, maar ook activiteiten die enkel meldingsplichtig zijn, onderworpen kunnen/moeten worden aan een passende beoordeling.

 

Bron: Lander CASTEELS van LDR Advocaten



[1] RvVb 31 juli 2025, nr. RvVb-A-2425-1070, ‘Dryade vzw’. 

[2] Artikel 2, 46° Natuurdecreet.

[3] RvVb 31 juli 2025, nr. RvVb-A-2425-1070, ‘Dryade vzw’, 18. 

[4] Rb. Brussel (3e k.) 15 december 2025, A.R. 2023/339/A, onuitg.

[5] Richtlijn 2009/128/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden.

[6] Rb. Brussel (3e k.) 15 december 2025, A.R. 2023/339/A, onuitg, 21.

[7] Zie artikel 5.2.1 van het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid (DABM), alsook bijlage 1 bij VLAREM II.

[8] Rb. Brussel (3e k.) 15 december 2025, A.R. 2023/339/A, onuitg, 29.

[9] Ibid., 30.