Buitenopleiding in de kijker: Insecten en waardplanten

6 juni 2024
by Sylvie Baert

Elk jaar proberen we bij VMx minstens vier buitenopleidingen aan te bieden. Een infosessie die buiten doorgaat biedt deelnemers de kans om theorie direct in de praktijk te brengen, midden in een natuurlijke omgeving. Door het directe contact met de omgeving ontstaat een unieke leerervaring!

Op 6 juni gingen we naar het Bos van Aa in Zemst om bij te leren over insecten en waardplanten, onder leiding van ecoloog Herman Dierickx.

Het bos van Aa, gelegen op een oude zandwinning, is sinds 2014 een Natura 2000-gebied van 113 hectare met een beheersplan. Daarnaast is het ook een wilde bijenreservaat en wordt het binnenkort ook een stilte- en donkergebied. In 2050 komt er 65 hectare bij, waarvan nu reeds een deel in omschakeling is van landbouw naar natuur. Dit bijkomend gebied zal het bos van Aa verbinden met het Kollintenbos en het Gravenbos.  De verscheidenheid aan biotopen is erg groot: van droge tot vochtige graslanden en bospercelen over drijfnatte zones, van een groot zeggenmoeras tot een goed uitgebouwd poelenstelsel. Deze biotopen hebben een grote aantrekkingskracht op vele organismen. Planten, vogels, dag- en nachtvlinders, amfibieën, libellen... worden nauwkeurig opgevolgd om de soortenevolutie te bestuderen. Er wordt gestreefd naar een evenwicht tussen water, bos en grasland. Elk seizoen wordt het beheer geëvalueerd en bijgestuurd zodat de biodiversiteit nog meer kansen krijgt.

Tijdens de buitenopleiding in het Bos van Aa in Zemst werd het belang van planten en insecten besproken. Insecten en planten zijn cruciaal voor het ecosysteem omdat ze schakels vormen in de voedselketen. Planteneters, zoals vegetarische insecten, consumeren planten, terwijl carnivore insecten deze planteneters op hun beurt opeten.

Creëren van een robuust ecosysteem

Een robuust ecosysteem vereist een doorlopende bloei of intacte bloeiboog van verschillende plantensoorten van april tot oktober. Dit betekent het kiezen van planten op basis van hun bloeitijd en het vertegenwoordigen van zoveel mogelijk plantfamilies. Voor een gezond ecosysteem wordt vaak gemikt op 50 verschillende families, zoals composieten, schermbloemigen, lipbloemigen, rozen, ranonkels, hertshooi, sterbladigen, en ruwbladigen. Dit systeem blijft intact, zelfs onder extreme omstandigheden zoals droogte en hitte.

Een combinatie van grasland, bos en open water met ook al de overgangszones ertussen (bosrand, ruigte, pioniersbos) is ecologisch het interessantste. Zorg dus voor zoveel mogelijk variatie en afwisseling met hoekjes en kantjes, zon en schaduw, droog en nat.

Bodemanalyse

Het is essentieel om te weten welke bodem je hebt en wat de fractie zand is, wat kan worden bepaald door een bodemanalyse of door bio-indicatoren (de aanwezige planten en dieren). Planten moeten worden gekozen op basis van de bodemsoort. Door een mix van waterplanten, moerasplanten en planten voor droge bodems te gebruiken, kun je een gezonde bloei en een stevige link tussen planten en insecten garanderen.

Onze wandeling begon bij een fase 3-grasland met meer dan 40 soorten (zoals smalle weegbree, biggenkruid, margriet, witte klaver, madelief enz.). Dit soort bloemrijk grasland, hier op een zand-leembodem, is absoluut mogelijk voor bedrijfsterreinen die meestal schrale gronden hebben mits er geen pesticiden of meststoffen worden gebruikt en er op de juiste manier wordt gemaaid.

Onze tweede stop was bij een ingezaaid perceel waar vroeger een boerderij stond. Hier was teelaarde aangebracht en een mengsel van eenjarigen ingezaaid. Echter, teelaarde is onnodig en te rijk voor een biodivers terrein. Een beter mengsel met meerjarige soorten zou een betere keuze zijn geweest, omdat eenjarigen voornamelijk voedselplanten zijn voor generalisten en geen waardplanten. Dit kan nog verbeterd worden door te maaien en opnieuw in te zaaien met inheemse, doorlevende soorten.

Door een divers bloemenmengsel te gebruiken afgestemd op de bodem en zaad uit de regio te verzamelen, kun je bijdragen aan een bloemrijk grasland dat insecten voorziet van nectar en stuifmeel en daarmee de biodiversiteit bevordert. Dit toont heel duidelijk aan dat elk ecologisch verhaal maatwerk is. Ter plaatse gaan kijken is ook steeds aan te raden.

Maaien voor biodiversiteit: vier tips

1. Laat het maaisel enkele dagen liggen voordat je het afvoert, zodat zaden en insecten eruit kunnen vallen. Op deze manier verschraal je de grond. Hoe voedselarmer de grond, hoe rijker de natuur maar ook hoe kwalitatiever de nectar want een hoger gehalte aan mineralen (magnesium, ijzer, zink, kalk enz.).

2. Maai bij droog weer om bodemverdichting te voorkomen. Voor sommige soorten zoals orchis en ratelaar moet je wachten tot augustus.

3. Gebruik geen klepelmaaier, deze is alleen voordelig voor grassen. Alle andere types maaiers kunnen gebruikt worden, als de messen scherp zijn.

4. In graslandfase 0-2 maai je volledig om ontwikkeling te stimuleren (ontwikkelingsbeheer), terwijl je in fase 3-5 gefaseerd maait en stukken laat staan (instandhoudingsbeheer). Wanneer je echter, ongeacht de fase, een interessante bloemsoort ziet staan die elders nog niet voorkomt dan maai je errond zodat deze soort verder kan ontwikkelen.

Water

Er zijn heel wat poelen te zien, groot en klein, diep en ondiep, warm en koud. Eén van de poelen is eveneens een zandwinningsput maar die werd gedeeltelijk opgevuld met steenpuin. Uit dit steenpuin komt kalk vrij wat zorgt voor kalkrijk water en kalkminnende planten. We zien er kranswieren, veenwortel enz.
De bovenste bladeren van veenwortel zijn luchtbladeren die drijven op het water. Deze bladeren hebben bovenaan een waslaag waardoor ze droog zijn. Hier zitten de libellen en juffers op waarna ze aan de onderkant van de bladeren hun eitjes afzetten.

Insecten: wat zien we?

Tijdens de opleiding zien we een atalanta. De atalanta is en vrij grote zwarte vlinder met in de vleugelpunt van de voorvleugel enkele witte vlekken; vanaf de voorrand loopt een oranjerode band dwars over de vleugel naar de binnenrandhoek. Het is een opvallende trekvlinder, die tot laat in de herfst op rottend fruit is te zien. De eitjes worden een voor een op de brandnetel (waardplant) afgezet. Belangrijk is dat brandnetelplekjes aan bosranden behouden blijven en dat er een voldoende groot nectaraanbod is. In het najaar kan het laten liggen van fruit in boomgaarden of in tuinen ook voor energie zorgen tijdens de terugtocht naar het zuiden. Echter doordat het klimaat verandert trekken niet alle individuen naar het zuiden maar zijn er ook die hier tussen hout overwinteren.

Tijdens de wandeling zit deze vlinder op vochtige rond en zuigt de mineralen op die hij nodig heeft om te kunnen vliegen en eitjes te maken.

We zien nog tientallen andere insecten tijdens de opleiding: aardhommel, icarusblauwtje, bijvlieg, gamma-uil, roestbruine kromlijf, fraaie schijnboktor, bloedrode heidelibel, lantaarntje, azuurjuffer, platbuik, oeverlibel, wespbij, tijgerlibel enz. Het is niet voldoende om de soort bij naam te brengen, je moet ook weten wat deze nodig heeft om zijn levenscyclus te voltooien. Elke soort heeft immers een ander levensverhaal. Als alles aanwezig is wat deze nodig heeft, dan komt de soort vanzelf.

Wil je graag veel insecten op dezelfde plaats zien? Ga dan naar bloeiende bramen in de zon of een poel, met voorkeur tussen 11 uur en 15 uur wanneer er weinig wind is, en droog. Koudbloedige insecten hebben immers warmte nodig om te kunnen functioneren en kunnen niet goed tegen wind en regen.

Distel, bladluizen, mieren

Op de akkerdistel zitten bladluizen. Deze bladluizen zuigen de plantensappen eruit. Bladluizen kiezen planten die snel groeien. Deze hebben dunne celwanden die de bladluis kan doorboren. Bladluizen zijn de aandrijvers van ons ecosysteem. Ze zijn de schakel tussen planten en predatoren.  Ze nemen de plantensappen op maar kunnen maar de helft verteren. Het afvalproduct is honingdauw, een zoete vloeistof, die langs hun rug wordt uitgescheiden. Mieren maken van de bladluiskolonie een melkerij en nemen de honingdauw mee naar het nest voor de larven. De bladluizen vormen het vee voor de mieren en zijn ook het voedsel voor andere insecten zoals lieveheersbeestjes. De lieveheersbeestjes zijn in de buurt van de bladluizen maar gaan deze pas eten of er eitjes leggen als de mieren niet meer actief zijn, ’s nachts.

Mieren zijn zeer belangrijk. Ze onderdrukken de prooisoorten, die in vele gevallen plaagsoorten zijn. Denk maar aan rupsen, sprinkhanen… In tuinen is de verhouding tussen mieren en prooisoorten soms uit balans waardoor de mier dan zelf een plaagsoort wordt voor de mens. Ze maken dan een nest is een kort gazon, onder losse tegels dicht bij het huis, in een kort gazon waar het warm is, dicht tegen het oppervlak en gaan tot enkele honderden meter ver voedsel zoeken.

Loopkevers en grondbijen

Er zijn o.a. door de producten die gebruikt worden in de landbouw nog weinig loopkevers in vergelijking met vroeger. Dit verklaart, naast de weersomstandigheden, voor een deel waarom er nu zoveel slakken zijn. Loopkevers eten slakken en slakkeneitjes. Een schrale grond inzaaien met een doorlevend inheems mengsel met hier en daar blote grond ertussen is wat loopkevers nodig hebben. Beheer is dan enkel ervoor zorgen dat er blote grond blijft. Hetzelfde geldt voor grondbijen. Van de 400 soorten bijen in Vlaanderen leven er immers 50 in de bijenhotels, 300 in de grond en 50 soorten in holle stengels. Dit maakt het belang van open grond duidelijk. Steile oevers vormen ook een geschikte plek voor al deze soorten.

Tijdens de opleiding zien we een bloemrijk grasland (fase 4) op stenige bodem met heel schrale vegetatie. De bloemen die hier staan produceren nectar van topkwaliteit. De arme, mineraalrijke omstandigheden zijn zo extreem en stresserend voor die planten dat ze al hun energie steken in de productie van bloemen, nectar en stuifmeel.  In deze extreme omstandigheden groeien soorten zoals muurpeper en mottenkruid. Dit type grasland vormt een ideaal biotoop voor loopkevers.

Bos en houtkanten

Alle bomen in het bos van Aa zijn er spontaan opgekomen en maximaal 50 jaar oud. Er wordt niet ingegrepen in de bossen. Tijdens de wandeling staan we even stil bij de ratelpopulier, een inheemse populier die de waardplant is voor wel 200 insectensoorten.

Open plekken in het bos zijn zeer waardevol voor de lichtsoorten. Ook struikengordels naast de graslanden zijn van belang. Wanneer het warm is kunnen de insecten daar afkoelen.

In het Bos van Aa passeren we ook een moerasbos waar het altijd nat, vochtig en fris is. Dit microklimaat vormt de ideale woonplaats voor de grote weerschijnvinder die er eitjes afzet op de bladeren van de grauwe wilg die in de natte gronden staan. Grauwe wilg is een breedbladige wilg. Breedbladige wilgen zijn interessanter voor insecten dan de dunbladige wilgen. Op de afstervende bomen leven boomkruiper, boomklever en spechten.

Wat doen met het afval van de beheerswerken?

Er zijn 2 soorten afvalstromen: haksel ontstaat wanneer verbossing wordt tegengegaan op graslanden en grasmaaisel ontstaat nadat de graslanden gemaaid zijn. Wanneer je beiden zou laten liggen of openspreiden dan ben je lokaal aan het verrijken en dat willen we net niet doen.

Wanneer je ze op hopen (ruw, geaccidenteerd) in de zon legt, creëer je een bijkomende biotoop in de vorm van broeihopen. Het aanleggen van deze hopen is een zeer succesvolle manier om de voortplanting van ringslangen te helpen, maar daarnaast ook nuttig voor tal van andere dieren zoals neushoornkever, vliegend hert, bosmieren, … In dergelijke hopen wordt het heel warm, die warmte broedt de eitjes van de insecten uit. De bedoeling is dat je die hopen er legt en er daarna niet meer aankomt. Wanneer je nadien bijkomend materiaal hebt na beheerswerken, leg je die gewoon in hopen naast of voor de oude hopen. Zo heb je hopen van verschillende jaren in verschillende fasen van vertering.

In natuurgebied wordt het maaisel soms ook opgehaald door landbouwers als voedsel voor de koeien of als strooisellaag in de stallen.

Daarnaast kan ook met boomstammen een biotoop gecreëerd worden. Stammen van verschillende boomsoorten zowel hardhout- als zachthoutsoorten worden op de grond gestapeld zowel in de zon als in de schaduw en blijven er jaren liggen tot ze volledig verteerd zijn. Heel wat soorten vlinders (atalanta, gehakkelde aurelia, dagpauwoog) maar ook salamanders overwinteren hier. Tal van soorten schimmels, bacteriën, zwammen, bijen en sluipwispen vinden er een thuis.

Bacteriën en schimmels

Droge stormen zorgen voor het inwaaien van plantenzaden en natte stormen voor schimmels. Bacteriën komen vooral voor in de bodems van graslanden en schimmels in de bodems van bossen want schimmels hebben een voorkeur voor de wortels van houtachtigen. Echter beiden, zowel bacteriën als schimmels, werken samen met de wortels van de planten en wisselen suikers, mineralen en water uit aan elkaar.

In het bos van Aa zijn enkele graslanden op voormalige wilgenbestanden gemaakt. Door de vele schimmels nog in de grond zijn hier op korte tijd heel veel soorten gekomen.

Ratelaar

In dit gebied komen drie soorten ratelaars voor: grote ratelaar, kleine ratelaar, en harige ratelaar. De ratelaar, of 'rhinanthus', is een eenjarige plant die van nature in België voorkomen. Ze hebben lancetvormige bladeren en tweelippige, gele bloemen, die opvallen door hun bijzondere bloeiwijze. De bladeren staan telkens twee aan twee tegenover elkaar. Ratelaars kunnen een veldje of grasland omtoveren tot een gele bloemenzee.

Ratelaars bloeien lang, van mei tot augustus. Aan het eind van de bloeiperiode maken de rijpe bloemzaden een kletterend geluid in de hulsjes wanneer je ze heen en weer schudt, wat de plant zijn naam heeft gegeven. Ratelaars groeien het beste op matig voedselrijke bodems. Omdat ze, net zoals orchis pas laat in het jaar in zaad staan, kan maaien pas in september.

De ratelaar is een halfparasiet die nutriënten uit de wortels van grassen haalt. Dit geeft de ratelaar een concurrentievoordeel, omdat het gras verdrongen wordt en bloemen meer ruimte krijgen om te groeien. Bovendien trekt de ratelaar veel bestuivende insecten aan, wat de biodiversiteit ten goede komt. Door deze eigenschappen zijn ratelaars niet alleen mooie, maar ook ecologisch waardevolle planten voor graslanden en bloemrijke veldjes.

Andere dieren

Het is duidelijk dat het Bos van Aa heel wat dieren herbergt. Huiszwaluw, oeverzwaluw en boerenzwaluw leven hier. We passeerden de steile oever waar de oeverzwaluwen broeden. Alsook de groene kikker of moeraskikker horen we de hele dag door kwaken en gedijt goed in het gebied. We hebben geluk om tweemaal een nachtegaal te horen tijdens de rondleiding. We passeren ook een inventarisatieplaat voor hagedissen en hazelwormen. Visdieven, kokmeeuwen, buizerds, haviken, ijsvogels, en heel wat uilen leven er.

Tijdens de wandeling komen we een dode veldspitsmuis tegen. Deze muis eet uitsluitend insecten. Martens en katten eten deze muizen niet omwille van de geur. Vleeseters eten over het algemeen weinig ander vleeseters.

In het bos van Aa leven 5 beverparen. Deze bevers zijn afhankelijk van wilgen als stapelvoedsel in de winter. Wilgen bepalen de overlevingskans van deze bevers. Hoewel bevers gekend zijn als landschapsbouwers is dit hier minder zichtbaar. De bevers hoeven geen dammen aan te leggen om diep water te creëren want het water is er al diep. Het diepste meer is 13 meter diep.

De opleiding werd afgerond in een halfnatuurlijke tuin, waarin wilde en gecultiveerde soorten waren gemengd. Deze tuin kan uitstekend worden nagebootst op een bedrijfsterrein, wat aanzienlijke voordelen biedt voor insecten. Dit werd bevestigd door de vele insecten die we er hebben waargenomen!