Verstrenging door rechtspraak van regelgeving inzake stallen voor hobbydieren

Verstrenging door rechtspraak van regelgeving inzake stallen voor hobbydieren

3 februari 2020 by Sylvie Baert

Landbouw weidedieren.jpg

Via de Codextrein van 2017 werd een oplossing geboden voor het knelpunt dat bestond inzake de mogelijkheid tot het stallen van paarden in agrarisch gebied in het kader van een niet-professionele paardenhouderij.

Het was namelijk zo dat het oprichten van schuilhokken op basis van het Vrijstellingsbesluit mogelijk was onder welbepaalde voorwaarden maar het oprichten van nieuwe stallen voor hobbydieren derhalve niet mogelijk was (o.b.v. de strenge rechtspraak van de Raad van State en de Raad voor Vergunningsbetwistingen).

De codextrein voorzag de invoering van een nieuwe afwijkingsmogelijkheid voor het oprichten van stallen voor weidedieren (dus ruimer dan alleen maar voor het houden van paarden). Op basis van artikel 4.4.8/2 VCRO kan voortaan in gebieden met een gebiedsaanduiding die tot de categorie ‘landbouw’ behoren een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen worden afgegeven voor het oprichten van één stal voor weidedieren mits het respecteren van een cumulatief aantal voorwaarden:

  • Er zijn geen bestaande stallingsmogelijkheden voorhanden;
  • De stal heeft geen betrekking op een effectief beroepslandbouwbedrijf;
  • De stal voldoet aan de hiernavolgende voorwaarden:
    • De stal wordt volledig opgericht binnen een straal van 50 meter van een hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte residentiële woning of bedrijfswoning;
    • De stal heeft een maximale kroonlijsthoogte van 3,5 meter;
    • De stal heeft een maximale vloeroppervlakte van 120 vierkante meter per hectare graasland, met een absoluut maximum van 200 vierkante meter.
  • De stal mag niet gelegen zijn in:
    • Ruimtelijk kwetsbaar gebied;
    • Gebieden aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen als bouwvrij agrarisch gebied of agrarisch gebied met overdruk natuurverweving.

Bovendien moet het vergunningverlenend bestuur bij de beoordeling van de vergunningsaanvragen uitdrukkelijk rekening houden met de landschappelijke inpasbaarheid in het gebied.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft in zijn arrest van 22 oktober 2019 de toepassingsvoorwaarden van deze afwijkingsbepaling nu aangescherpt.

Vooreerst wijst de Raad er op dat artikel 4.4.8/2 VCRO een afwijkingsbepaling vormt die restrictief moet worden geïnterpreteerd.

Vervolgens preciseert de Raad dat de voorwaarde “de stal wordt volledig opgericht binnen een straal van 50 meter van een hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte residentiële woning of bedrijfswoning” slaat op de woning van de aanvrager zelf en geen andere woning in de omgeving. De Raad stelt: “Het is niet in te denken dat in die regeling de afstand van de woning van de aanvrager tot de stal, toch mede bepalend voor de mogelijkheid van toezicht op en opvolging van dieren, niet van belang zou zijn. Evenmin is het in te denken dat in een dergelijke afwijkingsregeling de vergunningstoestand van de woning van de aanvrager zelf geen rol zou spelen”

Indien de afstand van een stal tot een woning die niet toebehoort aan de eigenaar in aanmerking wordt genomen, is er bijgevolg niet voldaan aan voorgemelde voorwaarde.

Voorgaand arrest is van belang aangezien het arrest hiermee lijkt af te wijken van het standpunt dat door het Departement Omgeving zelf werd gehanteerd, met name dat de woning zich niet op hetzelfde perceel moest bevinden als het perceel waarop de hobbystal werd ingepland, noch dat de woning eigendom diende te zijn van de aanvrager van de hobbystal.

Ruben VANSTEENKISTE
LDR Advocaten