Tussentijdse aanpak stikstofdepositie

21 mei 2021
by Sylvie Baert

Voor een passende beoordeling van de effecten van stikstofuitstoot op speciale beschermingszones (Natura 2000) werd de voorbije jaren gebruik gemaakt van voorlopige significantiekaders in de context van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Kort samengevat werd op algemene wijze (aan de hand van de Impactscoretool) bepaald welke hoeveelheid stikstofuitstoot geen significant effect zou hebben op deze gebieden.

Als gevolg van het zogenaamd ‘stikstofarrest’ van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 25 februari 2021 kan de beoordeling niet meer uitsluitend gebaseerd zijn op het voorlopige significantiekader, dat is opgenomen in de toenmalige praktische wegwijzers ‘eutrofiëring via de lucht’ en ‘verzuring via de lucht’ en in het richtlijnenboek Landbouwdieren. 

In afwachting van het definitief PAS-kader werd op 2 mei 2021 aan de vergunningverlenende instanties een ministeriële instructie ter beschikking gesteld. Die verduidelijkt een nieuwe tussentijdse aanpak van de beoordeling van stikstofdeposities in het kader van vergunningsaanvragen. De nieuwe tussentijdse aanpak maakt een onderscheid tussen stikstofuitstoot afkomstig van industrie en verkeer (voornamelijk NOx) en landbouw (voornamelijk NH3).

Meer informatie staat op de website van het Agentschap voor Natuur en Bos.

Voor NOx  wordt de drempelwaarde in de voortoets aangescherpt tot een relatieve grenswaarde van 1% (t.a.v. de meest kritische KDW van nabijgelegen habitats). Om dit te modelleren wordt een aangepaste vorm van de online voortoets ter beschikking gesteld. De drempelwaarde vormt hoe dan ook slechts een richtlijn voor de beoordeling van geval tot geval door de adviesverlenende instanties. Deze kunnen steeds op grond van concrete omstandigheden oordelen dat een beoordeling volgens de drempelwaarde niet volstaat.

Schematisch wordt het principe voor de toetsing van NOx als volgt samengevat: 

Voortoets:
 

Aandeel voorziene depositie t.o.v. de KDW van de getroffen gevoelige habitat

Gevolg

< 1% (met een maximum van 0,3 kg/N/Ha/j)

In principe geen passende beoordeling vereist

> of gelijk 1%

Passende beoordeling aangewezen



 


Passende beoordeling:
 

Aandeel voorziene depositie t.o.v. de KDW van de getroffen gevoelige habitat

Gunstige PB mogelijk?

Voorwaarde

1% < XX < 5%

Ja

Gangbare emissiereducerende maatregelen (BBT en beoordeling kosteneffectiviteit)

> of gelijk 5%

Ja

BBT+ (maatregelen die verder gaan dan BBT-maatregelen)

> of gelijk 50%

Niet aangewezen

/

In afwachting van een definitief PAS-kader moet voor NH3 emissies afkomstig vanuit veehouderijen en mestverwerkingsinstallaties altijd een individuele passende beoordeling opgemaakt te worden en kan ook verwezen worden naar de bijhorende richtsnoeren bij de ministeriële instructie.


De nieuwe instructies zijn onmiddellijk toepasbaar in alle lopende vergunningsaanvragen waarin nog geen definitieve beslissing genomen werd. Dit betekent dat aanvragers desgevallend hun aanvraagdossier zullen kunnen vervolledigen. Voor lopende aanvragen met een project-MER inclusief een passende beoordeling, zal de passende beoordeling moeten worden aangepast en bijgevolg ook het project-MER, omdat dit is geïntegreerd. Dit kan via een wijzigingsverzoek en zal tot gevolg hebben dat het MER pas kan worden goedgekeurd na dit wijzigingsverzoek.

Ook in lopende project-MER-procedures waarvoor de vergunningsaanvraag nog niet is ingediend, is deze nieuwe instructie onmiddellijk van toepassing.

Over effectbeoordeling op planniveau (bijv. RUP) staat niets vermeld in de ministeriële instructie. Sowieso kunnen in bijhorende plan-MER’s ook de voorlopige drempels uit de voorlopige PAS niet meer gebruikt worden. Maar gezien een plan-MER of een plan-m.e.r.-screening over een plan een voorbereiding betreft t.a.v. het vergunningniveau, is het logisch om de redenering van de instructies hier ook door te trekken.

Bron: MER Vlaanderen