08/12/2011 - Academische onderzoekers vaak blind voor noden industrie
Agoria vraagt meer open innovatie met universiteiten en kenniscentra
De Vlaamse regering kondigde zopas aan meer innovatiemiddelen te willen besteden aan ‘niet-gericht’ onderzoek’. Nu niet de beste bestemming volgens technologiefederatie Agoria. “Onderzoek en innovatie moeten welvaart en jobs opleveren. Daarvoor hebben we in deze crisisperiode net meer economisch gericht onderzoek en meer samenwerking tussen industrie en de academische wereld nodig.” En op dat laatste vlak knelt het schoentje nog erg vaak, zo blijkt uit een studie van het Nederlandse innovatiestudiebureau Technopolis, in opdracht van Agoria. De Vlaamse industrie heeft in slechts 10 procent van de onderzoeksprojecten van universiteiten en andere publiek gefinancierde kenniscentra inspraak. Gemeten naar het BBP, scoort geen enkele regio lager. In onze buurlanden Duitsland, Frankrijk en Nederland werkt het academisch milieu veel nauwer samen met de bedrijfswereld. Maar vooral het Waals Gewest (29%) en landen als Zweden (29%) en Finland (36%) scoren nog een stuk beter. Agoria wil de muur tussen de Vlaamse academische wereld en de bedrijven afbreken.
De Vlaamse regering heeft beslist de middelen voor innovatie tijdens komende jaren op te trekken. Goed nieuws, maar Agoria stelt zich vragen bij de besteding van die middelen. “Omdat ook deze extra middelen beperkt zijn, moeten we ze zo efficiënt mogelijk inzetten,” zegt Wilson De Pril, directeur-generaal van Agoria Vlaanderen. Uit de begrotingscijfers voor 2012 (bron: VRWI) blijkt dat de extra middelen vooral zullen gaan naar niet-gerichte gerichte kanalen (70%). De economisch gerichte instrumenten en initiatieven krijgen veel minder van de bijkomende middelen (24%). De rest van de middelen gaat naar sensibilisering en algemeen beleid (6%).
Onderzoek moet welvaart creëren
“Het is belangrijk dat we bijkomend investeren in zuiver industrieel onderzoek door bedrijven en ook het basisonderzoek aan onze kennisinstellingen en onderzoekscentra meer afstemmen op de noden van de industrie. Het is met name dit soort van onderzoek dat vaak economische vruchten afwerpt en dus bijdraagt aan de welvaart- en jobcreatie bij ons,” zegt De Pril. “Gezien de zeer zware crisis heeft Vlaanderen nood aan economische groei.”
Ook het SERV-advies van 16 november rond de innovatiesamenwerking van industrie en associaties, doet voorstellen in die zin. In het advies wordt terecht gewezen op het feit dat de samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen in Vlaanderen niet optimaal verloopt. Versterkte financiële ondersteuning van samenwerkingsverbanden is nodig. En deze vinden we terug bij bijvoorbeeld competentiepolen.
Maar hoe zit het met die samenwerking bij ons? Die vraag stelde Agoria aan het studiebureau Technopolis. Zij voerde een vergelijking uit tussen Vlaanderen en Wallonië en de grote buurlanden Frankrijk, Duitsland, Nederland en de goed scorende innovatielanden Zweden en Finland.
Vlaanderen houdt gelijke tred met de andere landen als het gaat om publiek geld voor innovatie dat door de industrie zelf wordt besteed: bij ons gaat 14 procent van het overheidsbudget naar de industrie zelf. Het gaat hier vooral om R&D-bedrijfsprojecten via het Vlaams Agentschap voor Wetenschap door Innovatie en Technologie (IWT). Enkel in Finland (22%) en Wallonië (15%) gaat nog meer overheidsgeld naar onderzoek dat door de bedrijven zelf wordt gevoerd.
Slecht rapport voor inspraak industrie in academisch onderzoek
Het merendeel van het overheidsgeld voor innovatie gaat echter naar academische instellingen en kenniscentra. En hier blijkt de kloof tussen academisch onderzoek en bedrijfsinspraak erg groot te zijn. De industrie heeft in Vlaanderen slechts inspraak in 10% van de publieke onderzoeksmiddelen van universiteiten en kenniscentra. Hiermee scoort Vlaanderen op het niveau van de grotere buurlanden Frankrijk, Duitsland, Nederland, maar ver onder het niveau van Finland (36%), Zweden (29%) of Wallonië (29%). Zulke inspraak is een goede graadmeter voor de afstemming van het academisch onderzoek op de noden van de eigen industrie.

Invloed industrie op onderzoek universiteiten en publieke kenniscentra in Vlaanderen
(bron : studie Technopolis)
Wanneer we de resultaten vertalen naar het BBP, zakt Vlaanderen helemaal weg. Het Vlaams gewest geeft immers in verhouding met zijn BBP een stuk minder uit aan innovatie dan de ons omringende landen en de Scandinavische landen.
Afzonderlijk innoveren?
“Iedereen heeft de mond vol van open innovatie, maar deze studie bewijst dat dit mooie principe in Vlaanderen te veel dode letter blijft. Wat voor nut heeft het dat universiteiten en bedrijven elk afzonderlijk innoveren? In naam van de academische vrijheid, missen we heel wat samenwerkingskansen om onze regio nog sterker als innovatieregio uit te bouwen,” zegt De Pril. “Nochtans hoeft academische excellentie geen contradictie te zijn met open innovatie en samenwerking.”
Agoria vraagt dat de Vlaamse overheid meer inzet op gericht onderzoek, in plaats van verder het aandeel niet-gericht onderzoek op te trekken. Dit vereist dat ook de industrie meer inspraak heeft bij de programmering van basisonderzoek aan onze universiteiten en kenniscentra. De samenwerking moet verder gaan dan contractonderzoek, dat vandaag in Vlaanderen reeds goed loopt en dat door bedrijven besteld en betaald wordt. “We moeten investeren én in toegepast onderzoek (gericht op korte termijn) én in basisonderzoek (gericht op de uitdagingen van morgen). Maar we moeten ook kijken naar economische valorisatie. Het huidige financieringsmechanisme bevordert bijvoorbeeld doctoraten, maar wat met de maatschappelijke economische resultaten? Onderzoek moet ook welvaart opleveren.”
Nu lijkt het er nog te veel op dat het academisch milieu de bedrijven links laat liggen bij de besteding van de innovatiebudgetten. Agoria hoopt alvast dat de klassieke schotten tussen universiteiten en kenniscentra en de bedrijven worden afgebroken.
Innoveren waarin we sterk zijn
Voor een kleine regio als Vlaanderen is het noodzakelijk te focussen op een aantal industriële thema’s waar we reeds bewezen hebben sterk te staan. Agoria wijst onder meer op materialenonderzoek, slimme en groene mobiliteit, mechatronica en windenergie. De technologiefederatie waarschuwt voor te veel versnippering. “We moeten meer focussen en vermijden dat verschillende universiteiten hetzelfde werk doen. Zweden en Finland maakten keuzes en focussen met succes op domeinen als telecom, automobiel en scheepsbouw. Grote bedrijven investeren waar deze kenniscentra zijn. Die keuzes moeten we ook maken,” zegt De Pril. Dit moet het Vlaanderen ook mogelijk maken zich te profileren op Europees niveau via zogenaamde “smart specialisation”.
Hierbij moet werk gemaakt worden van de verdere uitbouw van de competentiepolen en innovatieplatformen voor de grote industriële sectoren met toekomstpotentieel en een sterke Vlaamse verankering. “Denk maar aan kenniscentra als Flanders’ DRIVE voor de mobiliteitsindustrie, FMTC voor de mechatronica en SIM voor de materiaalindustrie.” Zoals in de buurlanden, moet Vlaanderen kunnen beschikken over sterke industriële platformen met voldoende autonomie en de nodige eigen middelen die lange termijnwerk toelaten. Dergelijke onderzoeksplatformen kunnen mee het academische onderzoek aansturen en doen zelf industrieel onderzoek voor onze bedrijven. Zij vormen ook de brug naar de Europese industriële onderzoeksprogramma’s (Horizon 2020). Belangrijk bij dit alles is dat ook de specifieke rol van de hogescholen wordt gerespecteerd. “Hogescholen zijn bijzonder geschikt om vertaalonderzoek te doen voor de industrie in Vlaanderen en in het bijzonder van onze KMO’s.”
Bijlage : Eindrapport Technopolis : Industriële invloed op innovatiebeleid (578,6 kB)
Contact:
Agoria, René Konings
Tel. +32 2 706 80 55
Fax +32 2 706 78 33
E-mail rene [dot] konings [at] agoria [dot] be

Kortrijksesteenweg 1007
9000 Gent
Telefoon: 09 233 48 66
Fax: 09 233 51 19
Website: http://www.vmx.be/



Een beheerder staat in voor opvolging, validatie en correcte plaatsing van de ‘content’ in de website.